Mensen die voor het eerst een winter doormaken met een warmtepomp zeggen vaak: ‘Het wordt wel warm, maar het voelt anders dan vroeger.’ Dat verschil is echt. Het zit in de manier waarop warmte wordt geleverd, niet in de eindtemperatuur.
Een cv-ketel op gas werkt met relatief hoge temperaturen. Radiatoren worden snel heet en geven in korte tijd veel warmte af. Dat voelt direct en zorgt voor een cyclisch patroon: aan, uit, weer aan.
Een warmtepomp werkt efficiënter bij lagere temperaturen, vaak tussen 30 en 50 graden. Daardoor is de warmteafgifte gelijkmatiger en minder ‘piekachtig’. Radiatoren of vloerverwarming voelen niet heet aan, maar lauw. De ruimte warmt langzamer op, maar blijft constanter op temperatuur.
Dat zorgt ervoor dat mensen het gevoel krijgen dat de verwarming minder doet. Wie gewend is om ’s ochtends flink bij te stoken en ’s avonds terug te schakelen, merkt dat dit bij een warmtepomp minder goed past. Het systeem is ontworpen om rustig te draaien.
Daarnaast is een warmtepomp sterker afhankelijk van de woning. Isolatie, kierdichting en het afgiftesysteem spelen een grotere rol dan bij gas. In een goed geïsoleerde woning voelt constante lage-temperatuurverwarming comfortabel. In een matig geïsoleerde woning kan dezelfde aanpak aanvoelen als ‘net niet’.
Ook geluid en beleving spelen mee. Een warmtepomp is hoorbaar, vooral de buitenunit, en dat valt in stille winteravonden sneller op. Plaatsing en afstelling bepalen of dit als hinderlijk wordt ervaren.
Het belangrijkste inzicht: een warmtepomp vraagt om een andere manier van verwarmen. Niet sturen op snelle sprongen, maar op stabiliteit. Daarom is een schouw op locatie belangrijk: je wilt weten of woning, afgiftesysteem en instellingen passen bij het gewenste comfort.
Het verschil in ‘warmtegevoel’ uitgelegd
Bij lage temperatuurverwarming is de temperatuur van de afgifte-oppervlakken lager. Dat betekent minder stralingswarmte op korte afstand en meer nadruk op een gelijkmatige luchttemperatuur in de ruimte. Daardoor voelt een kamer met dezelfde thermostaatstand soms anders aan.
Waar kun je op letten als het ‘net niet’ voelt?
- Inregeling: een te hoge of te lage stooklijn kan comfort of verbruik onnodig beïnvloeden.
- Afgifte: te weinig afgifte-oppervlak (radiatoren) vraagt hogere temperaturen en verlaagt efficiëntie.
- Isolatie en tocht: koudeval bij ramen en kieren bepaalt de beleving, ook als de thermostaat gelijk blijft.
Juist omdat comfortbeleving subjectief is, helpt een schouw op locatie om objectieve factoren (afgifte, instellingen, tochtpunten) te koppelen aan wat bewoners ervaren.
