Veel mensen schrikken na hun eerste winter met zonnepanelen. In de zomer leek alles logisch: hoge dagopbrengsten, een omvormer die vrolijk doortikt, en soms zelfs een overschot. In de winter daarentegen lijkt het alsof het systeem nauwelijks iets doet. Dat voelt tegenstrijdig, zeker omdat zonnepanelen vaak juist worden gepresenteerd als een jaarrond oplossing.
De belangrijkste verklaring ligt niet bij de panelen zelf, maar bij de positie van de zon. In de winter staat de zon in Nederland laag aan de horizon. Dat betekent dat het zonlicht een langere weg door de atmosfeer aflegt en minder intens is wanneer het het paneel bereikt. Zelfs op heldere winterdagen is de instraling aanzienlijk lager dan op een gemiddelde zomerdag. Daar komt bij dat de dagen kort zijn: minder zonuren betekent simpelweg minder potentiële opbrengst.
Een tweede factor is bewolking en weersinvloed. Winterweer in Nederland bestaat vaak uit bewolking, nevel en lage wolken. Zonnepanelen werken ook bij diffuus licht, maar het verschil met direct zonlicht is groot. Een grijze winterdag kan technisch gezien ‘licht’ opleveren, maar niet genoeg om noemenswaardige hoeveelheden stroom te produceren.
Soms wordt gewezen op sneeuw als hoofdschuldige. In de praktijk speelt sneeuw meestal een kleinere rol dan gedacht. Sneeuw bedekt panelen vaak maar tijdelijk en glijdt op schuine daken vaak vanzelf weg zodra de zon even doorkomt. Bovendien is de zoninstraling tijdens sneeuwval zo laag dat het opbrengstverlies relatief beperkt blijft ten opzichte van het hele jaar.
Wat het verschil extra confronterend maakt, is dat het verbruik in de winter juist stijgt. Verwarming, warm water, verlichting en vaker thuis zijn zorgen voor een hogere energievraag op precies het moment dat de opbrengst laag is. Daardoor voelt de winteropbrengst niet alleen laag, maar ook ‘teleurstellend’ in verhouding tot de energierekening.
Het cruciale punt is dat zonnepanelen niet zijn bedoeld om per maand beoordeeld te worden, maar per jaar. In Nederland wordt een groot deel van de jaaropbrengst opgewekt tussen maart en september. De wintermaanden leveren structureel minder, en dat is geen ontwerpfout maar een natuurkundig gegeven.
Een inhoudelijke beoordeling begint daarom altijd bij de vraag: komt de jaaropbrengst overeen met wat technisch te verwachten is voor dit dak, deze ligging en deze omgeving? Dat is iets wat je alleen goed kunt beantwoorden door de situatie als geheel te bekijken, niet door één wintermaand uit te lichten. Een schouw op locatie helpt om oriëntatie, hellingshoek, schaduw en systeemontwerp te controleren en aannames te toetsen.
